Valgevaar

Valgevaar - horizontaal en verticaal
Bij werkzaamheden op daken is valgevaar altijd een mogelijk risico. Het gaat dan niet alleen om verticaal valgevaar – vallen van hoogte, maar ook om horizontaal valgevaar – Vallen, struikelen en uitglijden. 

Vallen van hoogte is in ieder geval een risico als:

  • meer dan 2,5 meter boven het vloeroppervlak of boven het eerst volgende werkvlak gewerkt wordt (bij dakranden, daglichtvoorzieningen en/of sparingen in vloeren).
  • er openingen zijn in de vloer.
  • er risicoverhogende omstandigheden zijn, zoals bijvoorbeeld het werken boven water, bij aanwezigheid van verkeer en/of bij aanwezigheid van uitstekende delen/objecten (bijvoorbeeld steigerpijpen of vlechtwerk). 

Niet alleen mensen vallen van hoogte, ook voorwerpen kunnen vallen en vervolgens mensen raken die op een lager niveau werken.
Horizontaal valgevaar, vallen, struikelen en uitglijden, ontstaat door oneffen of beschadigde vloeren, als er spullen op de grond staan, maar ook als de vloer nat of glad is.

Risicobeoordeling
Het risico op valgevaar moet op verschillende niveaus en op verschillende momenten beoordeeld worden:

  • Risico-Inventarisatie en -Evaluatie (RI&E) – Op hoofdlijnen wordt vastgelegd hoe de organisatie omgaat met vallen van hoogte, struikelen en uitglijden. Ook veel voorkomende activiteiten worden beoordeeld in de RI&E.
  • Project RI&E – Voor elk project wordt bepaald hoe het risico van valgevaar zo klein mogelijk gehouden kan worden. Dit kan onderdeel zijn van het V&G-plan.
  • Taak-Risico-Analyse.
  • Last-Minute-Risk-Assessment.
  • Werkinstructies.

Oplossingen volgens de arbeidshygiënische strategie
Werkgevers moeten de veiligheid en gezondheid van werknemers beschermen volgens de arbeidshygiënische strategie. Dat houdt in dat maatregelen worden genomen volgens een vastgestelde volgorde. Er moet gekozen worden voor een maatregel op een zo hoog mogelijk niveau, tenzij dit redelijkerwijs niet haalbaar is. In het algemeen gelden de volgende niveaus:

  1. Bronaanpak – het gevaar bij de bron wegnemen. Een voorbeeld hiervan is dat het dak van een stadion op de grond gebouwd werd, inclusief dakbedekking en daarna in zijn geheel op het gebouw gehesen werd.
  2. Collectieve maatregelen – maatregelen die het risico voor alle werknemers verlaagt, zoals permanente of tijdelijke dakrandbeveiliging waarmee valgevaar voor iedereen beperkt wordt.
  3. Individuele maatregelen – maatregelen die het risico verlaagt voor één persoon (aangelijnd werken bijvoorbeeld), maar niet voor alle andere personen.
  4. Persoonlijke beschermingsmiddelen, zoals goede schoenen met antislipzolen.

De werkgever moet eerst de mogelijkheden op hoger niveau onderzoeken voordat besloten wordt tot maatregelen uit een lager niveau. Het is alleen toegestaan een niveau te verlagen als daar goede redenen voor zijn (technische, uitvoerende en economische redenen). Dit is het redelijkerwijsprincipe. Die afweging geldt voor elk niveau opnieuw. 
Het is goed om te beseffen dat het lastig is om de juiste keuze te onderbouwen en persoonsafhankelijk is. Economische redenen zijn vaak geen goed argument als het gaat om het voorkomen van ongevallen en incidenten.

Aanpak valgevaar op platte daken
Voor platte daken heeft de branche een schema gemaakt, waarmee het redelijkerwijsprincipe van de arbeidshygiënische strategie is uitgewerkt. Het schema geeft aan wanneer collectieve maatregelen genomen worden (fysieke afzetting) en wanneer individuele maatregelen.

Valvoorzieningen Arbocatalogus Platte Daken 12 juni 2025

N.B. Dit schema heeft betrekking op werken op hoogte bij de dakrand, rondom daglichtvoorzieningen en rondom sparingen in het dak.

Werken op een ladder of trap
Een ladder wordt in principe alleen gebruikt als transportroute naar een hoger of lager gelegen niveau (hoogteverschil maximaal 7,5 meter). Slechts in een beperkt aantal situaties mag vanaf de ladder of vanaf een trap gewerkt worden, namelijk als het werk heel kort duurt of als een ander middel (steiger, hoogwerker) niet ingezet kan worden. Dit wordt bepaald met de risicobeoordeling (RI&E, TRA, LMRA). Onderstaande schema’s zijn overgenomen uit het A-blad Ladders en trappen van Volandis. Deze kunnen als handvat gebruikt worden bij de beoordeling of de ladder mag worden gebruikt als werkplek.

Slecht weer
De kans op vallen en struikelen neemt toe als vloeren, daken, trappen, bordessen et cetera glad zijn door regen, sneeuw of ijzel. Elke dag zal voor aanvang van het werk nagegaan moeten worden of maatregelen nodig zijn om de werkplek ook in dit opzicht begaanbaar te maken en te houden. Een andere vorm van slecht weer is harde wind. Ook hierdoor neemt de kans op vallen toe, door het omver of wegwaaien van personen en van voorwerpen. Bij te harde wind moet het werk gestaakt worden. 

In de CAO onwerkbaar weer BIKUDAK (2023-2024) staan de volgende relevante artikelen:

  • Artikel 4 – lid 6. De werknemer is niet verplicht zijn werkzaamheden in de buitenlucht aan te vangen dan wel voort te zetten bij sneeuw of ijzel of indien sprake is van een glad dak.
  • Artikel 4 – lid 9. De werknemer is niet verplicht zijn werkzaamheden in de buitenlucht aan te vangen dan wel voort te zetten indien sprake is van stormachtige wind, storm, zware storm, zeer zware storm of een orkaan volgens de meting van het KNMI-weerstation in het postcodegebied waarin het object waar de werknemer werkzaam is of zou zijn, zich bevindt. Ook is de werknemer niet verplicht zijn werkzaamheden in de buitenlucht aan te vangen dan wel voor te zetten indien sprake is van zware windstoten of zeer zware windstoten.

Voorlichting over werken op hoogte
De werkgever moet aantoonbaar voorlichting geven over de risico’s die samenhangen met het werk. Dat geldt vanzelfsprekend ook voor valgevaar. Bij dakdekkers gelden veel risico’s en mogelijke maatregelen voor alle projecten waar zij werken. Een groot deel van de voorlichting kan daarom middels een jaarlijkse toolbox worden gegeven. Bij elk project moet worden bekeken of speciale risico’s gelden en of speciale maatregelen nodig zijn. Als dit het geval is, moeten medewerkers voor aanvang van het project voorlichting krijgen over de risico’s en over de toe te passen maatregelen.

SBD heeft diverse voorbeeld toolbox presentaties die gebruikt kunnen worden bij het geven van voorlichting. Vanzelfsprekend moeten deze presentaties aangepast worden op de specifieke bedrijfs- en projectomstandigheden.

  • Aangelijnd werken en toelichting;
  • Voorkomen van ongevallen door harde wind;
  • Aanslaan van hijslasten;
  • Collectief beveiligen;
  • Verplaatsbaar klimmaterieel (rolsteigers);
  • Werken met ladders;
  • Hoogwerkers;
  • Verticaal transpor

Het gebruik van individuele valbeveiliging
Als alle andere vormen van valbeveiliging niet mogelijk zijn, dan wordt gebruik gemaakt van individuele valbeveiliging. Hierbij geldt: 

  • Verankeringspunten moeten voldoen aan NEN-EN 17235:2024 (permanente verankeringspunten) of NEN-EN 795:2012 (permanente/tijdelijke verankeringspunten) en periodiek worden gekeurd conform de eisen van de leverancier. Voor aanvang van de werkzaamheden moet nagegaan worden of hieraan wordt voldaan.
  • Harnasgordels moeten voldoen aan NEN-EN 361:2002 en gekeurd volgens eisen van de leverancier.
  • Het harnas moet zijn afgestemd op het postuur en het gewicht van degene die het harnas draagt.Er moet altijd een tweede persoon aanwezig zijn die in geval van een val zijn/haar collega kan redden. Deze persoon is getraind hiervoor en ook in staat om een redding uit te voeren.
  • Een valdemper wordt alleen gebruikt wanneer uit de risico-beoordeling is gebleken dat dit in de gegeven situatie noodzakelijk is en bovendien met het oog op de valhoogte (minimaal benodigde vrije ruimte) mogelijk is.
  • Na betreding van het dak moet direct aangelijnd worden. Indien er geen voorzieningen zijn, worden deze direct aangebracht.

Bij gebruik van een valdemper wordt de benodigde vrij ruimte (ook wel valruimte of valhoogte) berekend aan de hand van:

  • De lengte van de lijn en verbindingselementen (karabiners)
  • De lengte van de uittrek van de schokdemper
  • De afstand tussen het bevestigingspunt van de gordel en de voeten van de werknemer (grofweg kan hier de lichaamslengte voor genomen worden)
  • De veiligheidsmarge (minimaal 1 meter).

Hieronder volgen twee voorbeelden van berekeningen van de benodigde vrije ruimte. Dit moet elke keer opnieuw berekend worden. In de praktijk is er meestal de benodigde vrije ruimte meestal minimaal 6 meter.

N.B. Let ook op aanwezigheid van obstakels, zoals draadeinden van vlechtwerk.

Afbeelding valgevaar

Voorbeeld 1

De vereiste vrije ruimte (valruimte) is hier minimaal 4,35 meter. Dat is opgebouwd uit:

  • De lengte van de leeflijn en verbindingselementen = 1,15 meter
  • De lengte van de uitrek van de schokdemper (maximale uitrek van de energie-absorber) = 0,7 meter
  • De afstand tussen het bevestigingspunt van de gordel en de voeten van de werknemer = 1,5 meter
  • De veiligheidsmarge (maximale immobilisatie-afstand boven de grond) = 1 meter
Afbeelding valgevaar2

Voorbeeld 2

De vereiste vrije ruimte (valruimte) is hier minimaal 4,35 meter. Dat is opgebouwd uit:

  • De lengte van de leeflijn en verbindingselementen = 2 meter
  • De lengte van de uitrek van de schokdemper = 1,75 meter
  • De afstand tussen het bevestigingspunt van de gordel en de voeten van de werknemer (hier is de volledige lichaamslengte genomen) = 1,75 meter
  • De veiligheidsmarge (maximale immobilisatie-afstand boven de grond) = 1 meter

Valgevaar

Deel A. Oplossingen voornamelijk gericht op het voorkomen van horizontaal valgevaar (vallen, uitglijden, struikelen)

Oplossing 1 Zicht op locaties
Collectief

Bij werkzaamheden op locatie wordt gezorgd voor voldoende verlichting op het buitenterrein, de werkplek, paden, gangen en trappen. Het verlichtingsniveau moet minimaal zo hoog zijn als in onderstaande tabel. Voer een risicobeoordeling uit (RI&E, TRA, LMRA) om te beoordelen of een hoger niveau noodzakelijk is.

Locatie Minimale verlichtingssterkte (lux)
Het buitenterrein 100
Gangen 100
Trappen 150
Werkplekken 500

Bij werkzaamheden op locatie wordt het daglicht zo nodig aangevuld met:

  • Vaste verlichting (reeds aanwezig, of alvast geplaatst).
  • Tijdelijke verlichting op een accu of aggregaat.

Toelichting:
Als er op het dak gewerkt wordt en daglicht is onvoldoende, dan wordt bovenstaande oplossing toegepast. Individuele verlichting wordt niet gebruikt als op het dak gewerkt wordt.  Snoeren en kabels zijn zodanig weggewerkt dat zij geen struikel- en valgevaar vormen. 

De verlichtingseenheid lux geeft weer hoeveel licht er op een oppervlakte valt. Er zijn meetinstrumenten om precies vast te stellen hoeveel lux er in een bepaalde situatie is. Om gevoel te krijgen van hoeveel een bepaald aantal lux nu eigenlijk is, zijn in onderstaande tabel enkele voorbeelden opgenomen.

Situatie Aantal lux (doorgaans in die situatie)
Buiten in direct zonlicht > 30.000
Buiten op een bewolkte dag 1.000
Goed verlicht kantoor 500
Zonsondergang en zonsopgang 400
In een lift 100
Maanlicht bij volle maan <1
Nacht zonder maan <0,01

Oplossing 2 Opgeruimde werkplek op locatie
Collectief

De werkplek op locatie is opgeruimd. Dat houdt in ieder geval in:

  • Looppaden, ladders, trappen en vluchtwegen zijn vrij van spullen.
  • Kabels en snoeren zijn zodanig weggewerkt dat zij geen valgevaar veroorzaken. Dit kan bijvoorbeeld door het opbinden van kabels en snoeren en/of door het gebruik van kabelmatten.
  • Materiaal wordt opgeslagen op een plek en een manier waardoor het geen struikelgevaar veroorzaakt. Bijvoorbeeld door het materiaal in een container op vloerniveau op te slaan, door materiaal op het laatste moment op het dak te plaatsen, door materiaal geordend bij elkaar op te slaan.
  • Materiaal, materieel en afval worden niet opgeslagen nabij sparingen, daglichtvoorzieningen en dakranden.
  • Gereedschap wordt in pauzes en na gebruik ordelijk weggelegd.

Oplossing 3 Veiligheidsschoeisel
Persoonlijke beschermingsmiddelen

Medewerkers (vast en tijdelijk) krijgen veiligheidsschoenen of veiligheidslaarzen die voorzien zijn van stroeve zolen, zoals schoeisel dat voldoet aan NEN-EN-ISO 20345 klasse S3 of S5. Gezien de werkzaamheden van een dakdekker moet de schoen of laars vuurbestendig zijn (inclusief de veters). Daarnaast moet, bij bitumineuze dakbedekkingswerkzaamheden, de zool warmte isolerend en hittebestendig zijn, bestand tegen kortstondige temperaturen tot 300⁰ Celsius.

Voor de opstart van een project wordt nagegaan of er redenen zijn om het hierboven genoemde veiligheidsschoeisel aan te passen. Dit gebeurt in de project risico-inventarisatie en -evaluatie, het V&G-plan en/of de Taak Risico Analyse.

Toelichting:
Veelgebruikte dakdekkersschoenen zijn halfhoge veiligheidsschoenen klasse S3 HI (hitte isolerende werking) HRO (hittebestendige buitenzool) SRC (slipweerstand klasse C) met enkelpolstering voor versteviging van de enkels, watertong (zodat water niet via de tong binnendringt) en slijtvaste kruipneus.
Belangrijk is dat de schoen of laars goed past bij de persoon die ze draagt. Geef medewerkers daarom de mogelijkheid om te kiezen uit verschillende soorten schoeisel (zolang deze aan de eisen voldoen).

Deel B. Oplossingen voornamelijk gericht op het voorkomen van verticaal valgevaar

Oplossing 4 Veilige dakopgang
Collectief/individueel

Manieren van veilige dakopgang zijn:

Collectieve maatregel

  1. Van binnenuit met een permanente trap, via een deur;
  2. Van binnenuit met een permanente trap, via een raam of dakluik;
  3. Personenlift;
  4. Trappentoren;
  5. Steiger;
  6. Gevelladder, kooiladder (met rustbordessen);

Als een collectieve maatregel technisch niet mogelijk is, dan wordt gekozen voor een individuele maatregel.`

Individuele maatregelen

  1. Verplaatsbare ladder (onder voorwaarden, zie ook oplossing Ladders ter overbrugging van hoogteverschillen).

Toelichting
Bij de voorbereidingen van werkzaamheden op een plat dak worden afspraken gemaakt met de opdrachtgever of hoofdaannemer over het voorkomen van valgevaar. Het gaat hierbij om het veilig bereiken van het dak (veilige dakopgang) én om het veilig werken op het dak (zie oplossing Werken op hoogte).

Bij het aannemen van de opdracht (dakopname, offerte stadium en/of werkvoorbereiding) wordt uitgezocht of het dak van binnenuit bereikbaar is met een permanente trap. Als dit niet zo is, dan wordt vastgelegd hoe het dak bereikbaar wordt gemaakt. Hierbij wordt een zo veilig mogelijke methode gekozen (zie opsomming hierboven). Ook fysieke belasting kan daarbij een rol spelen. Alleen als een methode van een hoger niveau redelijkerwijs niet mogelijk is, wordt gekozen voor een ‘lagere maatregel’. De uiteindelijke keuze worden vastgelegd, inclusief de overwegingen die daarbij zijn gemaakt en de partij die voor de veilige dakopgang zal zorgen. Het vastleggen gebeurt in: 

  • het contract met de opdrachtgever of hoofdaannemer.
  • in de projectrisico-inventarisatie en -evaluatie en/of in het V&G-plan. 

Als de opdrachtgever of hoofdaannemer niet voor deze voorzieningen zorgt, dan voert de werkgever een risicobeoordeling uit om te bepalen welk niveau van valbeveiliging toegepast moet worden. Hierbij wordt gebruik gemaakt van het schema Aanpak valgevaar bij werkzaamheden op platte daken (zie volgende pagina). Deze beoordeling wordt vastgelegd in de projectrisico-inventarisatie en -evaluatie en/of in het V&G-plan.

Bij bestaande daken wordt nagegaan of informatie bekend is over de draagkracht van het dak en wordt visueel nagegaan of er problemen met de draagkracht te verwachten zijn. Dit wordt vastgelegd in de project risico-inventarisatie en -evaluatie en/of in het V&G-plan.

N.B. In veel gevallen is een tweede vluchtweg vanaf het dak nodig. Bepaal dit ook in de voorbereidende fase. Aangeraden wordt om in ieder geval te zorgen voor een tweede vluchtweg vanaf daken die zich bevinden op meer dan 3 meter boven een onderliggend niveau. 

Voor alle voorzieningen die worden toegepast geldt dat ze moeten voldoen aan de relevante veiligheidsnormen. Enkele voorzieningen worden in de onderstaande oplossingen verder uitgewerkt.

Bij het schema Aanpak valgevaar bij werkzaamheden op platte daken gelden de volgende definities:

  • Werken op hoogte:
    • Hoger dan 2,5 meter boven het vloeroppervlak of boven het eerst volgende werkvlak (bij dakranden, daglichtvoorzieningen en/of sparingen in vloeren).
    • Als er openingen in vloeren zijn.
    • Als er sprake is van risicoverhogende omstandigheden, zoals het werken boven water, bij aanwezigheid van verkeer, en/of bij aanwezigheid van uitstekende delen/objecten (bijvoorbeeld steigerpijpen of vlechtwerk). Deze risicoverhogende omstandigheden komen naar voren uit de risicobeoordeling (RI&E, TRA, LMRA).
  • Kortdurende werkzaamheden zijn:
    • Dakinspecties en dakopnames;
    • Periodiek reinigend onderhoud;
    • Reparaties niet geheel vervangen;
    • Plaatsen en verwijderen collectieve voorzieningen.
  • Permanente voorzieningen bieden tot minimaal 1 meter boven het werkvlak beveiliging tegen vallen en hebben minimaal een tussenleuning/railing, zodat openingen maximaal 47 cm zijn. En hebben een plank/dakrand vanaf de vloer tot minimaal 15 cm hoogte.
  • Collectieve voorzieningen kunnen bijvoorbeeld zijn:
    • Dakrandbeveiliging: leuning of hekwerk tot minimaal 1 meter boven het werkvlak, minimaal een tussenleuning waardoor openingen maximaal 47 cm zijn en een kantplank van minimaal 15 cm. (Let op de leverancier stelt eisen met betrekking tot de maximale hellingshoek van het dakvlak).
    • Semipermanent dakrandbeveiliging/afzetten tot minimaal 1 meter boven werkvlak.
  • Individuele voorzieningen kunnen bijvoorbeeld zijn:
    • Individuele gebiedsbegrenzing (vaste lijn gekoppeld aan kabel (rail)systeem of verankeringspunten en harnasgordel);
    • Individuele valbeveiliging (instelbare lijn gekoppeld aan kabel (rail)systeem of verankeringspunt en harnasgordel).

Oplossing 5 afdoende afstand bewaren tot de dakrand, daglichtvoorzieningen en sparingen - Als de afstand minimaal TWEE meter tot de dakrand, daglichtvoorzieningen en sparingen is.
Collectief

Als gewerkt wordt op een plat dak zonder permanente voorzieningen bij dakranden, daglichtvoorzieningen en/of sparingen dan wordt het risico op vallen van het dak (ook na struikelen) zoveel mogelijk voorkomen.

Als de afstand minimaal TWEE meter tot de dakrand, daglichtvoorzieningen en sparingen is, dan wordt dit gedaan door:

Een fysieke afzetting op minimaal twee meter afstand van de dakrand of daglichtvoorziening. Deze fysieke afzetting bevindt zich op een hoogte van minimaal 1 meter van het werkvlak. Dit kan bijvoorbeeld een touw, lint of ketting zijn.

Als het gaat om sparingen dan wordt het risico op vallen voorkomen door één van de volgende twee opties:

  1. Dichtleggen met een beloopbaar materiaal. Dit materiaal wordt spijker- of schroefvast geborgd. En het materiaal wordt gemarkeerd zodat het goed zichtbaar is. Dit kan bijvoorbeeld door er een kruis op te zetten of door gebruik te maken van een andere kleur.
  2. Collectieve valbeveiliging direct rondom de sparing met een leuning op een hoogte van minimaal 1 meter boven het werkvlak. Met een tussenleuning, zodat openingen maximaal 47 cm zijn. Met een kantplank van minimaal 15 cm, indien er geen opstand (van minstens 15 cm hoogte) aanwezig is.

Oplossing 6 Afdoende afstand bewaren tot de dakrand, daglichtvoorzieningen en sparingen - Als de afstand minimaal VIER meter tot de dakrand, daglichtvoorzieningen en sparingen is.
Collectief

Als gewerkt wordt op een plat dak zonder permanente voorzieningen bij dakranden, daglichtvoorzieningen en/of sparingen dan wordt het risico op vallen van het dak (ook na struikelen) zoveel mogelijk voorkomen.

Als de afstand tot de dakrand, daglichtvoorzieningen of sparingen minimaal VIER meter is, dan wordt een visuele markering aangebracht met een duidelijke, afwijkende kleur ten opzichte van de rest van het dak. 

Valvoorzieningen Arbocatalogus Platte Daken 12 juni 2025

Oplossing 7 Individuele gebiedsbegrenzing
Individueel/PBM

Als kortdurende werkzaamheden worden uitgevoerd op een plat dak zonder permanente voorzieningen bij dakranden, daglichtvoorzieningen en/of sparingen dan wordt het risico op vallen van hoogte (ook na struikelen) zoveel mogelijk voorkomen door individuele gebiedsbegrenzing.

Onder kortdurende werkzaamheden worden de volgende activiteiten verstaan: 

  • Dakinspecties en dakopnames;
  • Periodiek reinigend onderhoud;
  • Reparaties (niet algeheel vervangen);
  • Plaatsen en verwijderen van collectieve voorzieningen.

Bij individuele gebiedsbegrenzing werkt de werknemer aangelijnd, waarbij de lijn is gekoppeld aan een kabel (rail) systeem of aan individuele ankerpunten. De lijn voorkomt dat de persoon buiten de dakrand terecht kan komen (zowel bij de rand van het dak als rondom daglichtvoorzieningen en sparingen). 

Bij gebiedsbegrenzing wordt bij voorkeur gebruik gemaakt van een vaste, niet instelbare lijn. Dit is echter niet in alle daksituaties mogelijk, zeker niet als er sprake is van daglichtvoorzieningen of daken met inkepingen. Wanneer het nodig is om met een instelbare lijn te werken, dan geldt nog steeds dat vallen nooit mogelijk mag zijn.

Personen die werken met individuele gebiedsbegrenzing ontvangen minimaal jaarlijks voorlichting over:

  • Hoe gebiedsbegrenzing wordt toegepast.
  • De manier waarop de lijn moet worden ingesteld om te voorkomen dat je buiten de dakrand (of daglichtvoorzieningen of sparing) terecht komt. 

Bij zowel de vaste lijn als bij de verstelbare lijn moet gebruik gemaakt worden van een harnasgordel die voldoet aan NEN-EN 361 en gekeurd volgens de eisen van de leverancier. Een instelbare lijn moet voldoen aan dezelfde vereisten, als een vaste, niet instelbare lijn.

Oplossing 8 Individuele valbeveiliging
Individueel

Als alle andere vormen van valbeveiliging niet mogelijk zijn, dan wordt gebruik gemaakt van individuele valbeveiliging. Hierbij geldt: 

  • Verankeringspunten moeten voldoen aan NEN-EN 17235:2024 (permanente verankeringspunten) of NEN-EN 795:2012 (permanente/tijdelijke verankeringspunten) en periodiek worden gekeurd conform de eisen van de leverancier. Voor aanvang van de werkzaamheden moet nagegaan worden of hieraan wordt voldaan.
  • Harnasgordels moeten voldoen aan NEN-EN 361:2002 en gekeurd volgens eisen van de leverancier.
  • Het harnas moet zijn afgestemd op het postuur en het gewicht van degene die het harnas draagt. Er moet altijd een tweede persoon aanwezig zijn die in geval van een val zijn/haar collega kan redden. Deze persoon is getraind hiervoor en ook in staat om een redding uit te voeren.
  • Een valdemper wordt alleen gebruikt wanneer uit de risico-beoordeling is gebleken dat dit in de gegeven situatie noodzakelijk is en bovendien met het oog op de valhoogte (minimaal benodigde vrije ruimte, zie voorbeeld 1 en 2 tab Arbeidsrisico) mogelijk is.
  • Na betreding van het dak moet direct aangelijnd worden. Indien er geen voorzieningen zijn, worden deze direct aangebracht.

Personen die werken met individuele valbeveiliging ontvangen minimaal jaarlijks voorlichting over:

  • Waar goed passende valbeveiliging aan voldoet.
  • Hoe valbeveiliging, inclusief harnas, moet worden gebruikt. Deze handeling wordt door iedereen uitgevoerd op de training.
  • De manier waarop de lijn moet worden ingesteld en aangehaakt om te voorkomen dat je buiten de dakrand (of daglichtvoorzieningen of sparing) terecht komt.
  • Welke handelingen nodig zijn als iemand toch valt.

Toelichting
Bij gebruik van een valdemper wordt de benodigde vrij ruimte (ook wel valruimte of valhoogte, zie voorbeeld 1 en 2 tab Arbeidsrisico) berekend aan de hand van:

  • De lengte van de lijn en verbindingselementen (karabiners).
  • De lengte van de uittrek van de schokdemper.
  • De afstand tussen het bevestigingspunt van de gordel en de voeten van de werknemer (grofweg kan hier de lichaamslengte voor genomen worden).
  • De veiligheidsmarge (minimaal 1 meter).

In de praktijk is er meestal de benodigde vrije ruimte meestal minimaal 6 meter.

N.B. Let ook op aanwezigheid van obstakels, zoals draadeinden van vlechtwerk.

De werknemers moeten kunnen beschikken over een gebruiksaanwijzing van zowel alle gebruikte arbeidsmiddelen en persoonlijke beschermingsmiddelen. De goede staat van (onderhoud van) die middelen moet kunnen worden aangetoond.

Oplossing 9 Niet aanvangen of staken van de werkzaamheden bij harde wind
Collectief

Sterke wind vergroot de kans op vallen. Het werk wordt in ieder geval niet aangevangen of in ieder geval gestaakt bij:

  • Windkracht 6 als er gewerkt wordt op rolsteigers, trappen en/of ladders.
  • Windkracht 6 als er gewerkt wordt op een hoogte boven 10 meter.
  • Windkracht 7 als gewerkt wordt op een hoogte boven 3 meter.

Hijswerkzaamheden worden in ieder geval gestaakt bij windkracht 7.

De maatregelen zijn in onderstaand stroomdiagram weergegeven:

Staken werk door de wind

Toelichting
Voor het bepalen van de windkracht kan gebruik gemaakt worden van de site van de KNMI of van een windmeter (op de daadwerkelijke werkplek). Op een project kan het nodig zijn om het werk eerder te staken dan op basis van de windwaarnemingen van het KNMI noodzakelijk lijkt. Plaatselijk kan er bijvoorbeeld sprake zijn van luchtstromingen tussen gebouwen of van rukwinden. Hijswerkzaamheden moeten eerder gestopt worden als de hijstabel of de windsnelheidsmeter dit aangeeft, maar bijvoorbeeld ook bij het hijsen van groot windvangend oppervlak.

Schema windgemiddelde snelheid

Tabel Windschaal van Beaufort met beschrijving van het KNMI

Oplossing 10 Preventie van wegwaaien van materialen en materieel bij werkzaamheden op het dak

Bij harde wind kan materiaal (dakkappen, isolatiematerialen, et cetera) en materieel van het dak waaien. Vanaf windkracht 5 worden in ieder geval passende maatregelen getroffen om wegwaaien van materialen en materieel te voorkomen. 
Na een storm met minimaal windkracht 8 worden traptorens en steigers in ieder geval beoordeeld op veiligheid voordat zij worden betreden.

Passende maatregelen zijn onder andere:

  • Materialen vastleggen met netten en/of vastsjorren met spanbanden.
  • Materialen verzwaren door bijvoorbeeld dakrollen (geborgd tegen wegrollen).
  • Het verwijderen of neerklappen van dakrandbeveiliging.

Toelichting:
Voer het werk rondom de dakrand, daglichtvoorzieningen en sparingen zoals het neerklappen van de dakrandbeveiliging veilig uit, bijvoorbeeld aangelijnd. Raadpleeg vooraf de instructies van de leverancier van de dakrandbeveiliging om na te gaan wanneer en welke maatregelen genomen moeten worden bij harde wind. 

Oplossing 11 Niet aanvangen of staken van de werkzaamheden bij regen, ijzel en sneeuw
Collectief

De kans op vallen, struikelen en uitglijden neemt toe als vloeren, daken, trappen, bordessen et cetera glad zijn door regen, sneeuw of ijzel. Dit geldt voor maaiveldniveau en voor werken op hoogte.
Elke dag wordt voor aanvang van het werk nagegaan of maatregelen nodig zijn om de werkplek ook in dit opzicht begaanbaar te maken en te houden. Dit wordt vastgelegd in een LMRA. Dakwerkzaamheden worden gestaakt als het dak glad is. Bij sneeuw en ijzel wordt het werk op het dak in ieder geval gestaakt. 

Toelichting
Voor gladheidsbestrijding bij toegangswegen en op het bouwterrein kan gebruik gemaakt worden van zand, zout, kleikorrels, grit et cetera. Dit kan niet toegepast worden op het dak. In de CAO is vastgelegd dat medewerkers het werk mogen staken in geval van sneeuw en ijzel.
N.B. Let ook op voorwerpen die kunnen glijden of vallen.

Deel C. Oplossingen gericht op het gebruik van een ladder

Oplossing 12 Ladders ter overbrugging van hoogteverschillen
Collectief

Als het dak niet van binnenuit te bereiken is en er zijn geen andere arbeidsmiddelen toepasbaar, mogen ladders  gebruikt worden om een tijdelijke arbeidsplaats op hoogte te bereiken en deze weer te verlaten. De volgende voorwaarden gelden:

  • Als een vaste opstelplaats of vast borgingspunt voor ladders aanwezig is, dan wordt deze gebruikt.
  • Het maximale hoogteverschil dat door een ladder mag worden overbrugd is 7,5 meter.
  • De hellingshoek van de ladder is tussen 65 en 75 graden.
  • De ladder is geborgd tegen onderuit schuiven en tegen zijdelings schuiven.
  • Aanrijdgevaar is voorkomen.

Voorafgaand aan het werk wordt bepaald waar de laddertoegang wordt gerealiseerd en deze wordt tijdens de uitvoering van het werk gehandhaafd. 

Toelichting
Er moet altijd gezocht worden naar een mogelijkheid voor toegang tot het dak die zo hoog mogelijk in de arbeidshygiënische strategie ligt. Zie ook O4 Veilige dakopgang.

Het borgen tegen het onderuit schuiven en zijdelings schuiven dient beneden en/of boven te worden uitgevoerd, bijvoorbeeld door vaste regelingspunthaken, een stabiele onbeweeglijke ondergrond, het vastzetten aan boven- en/of onderkant van de ladder, het gebruik van een anti-slipbalk (brede voet), stabilisatiebalk of steunen). De sporten van een ladder of trap moeten horizontaal blijven.
Een ladder moet minimaal een meter uitsteken boven de verdieping waar het op uit komt.

Oplossing 13 Ladders en trappen als werplek voor kortdurend werk
Individueel

Ladders en trappen mogen alleen voor kortdurende werkzaamheden gebruikt worden en als andere arbeidsmiddelen (bijvoorbeeld een steiger of hoogwerker) niet mogelijk zijn. Om dit te bepalen wordt een aparte risicobeoordeling uitgevoerd. 

Voor het gebruik van een ladder of een trap gelden de volgende voorwaarden:

  • De stahoogte is kleiner dan 5 meter.
  • De totale statijd per project is korter dan 2 uur.
  • De individuele statijd per dag is korter dan 1 uur.
  • De reikwijdte is kleiner dan 1 armlengte.
  • De persoon heeft voortdurend tenminste 1 hand aan de ladder.
  • Een te dragen voorwerp is lichter dan 10 kg.
  • De krachtsuitoefening is kleiner dan 50 Newton (werk met licht elektrisch gereedschap en leeghalen dakgoten). Overige werkzaamheden moet op de benodigde kracht worden onderzocht.
  • Het te vervoeren materiaal is kleiner dan 1 meter.
  • De windkracht is lager dan 6 Beaufort en er is geen sprake van gladheid.
  • De ondergrond is onbeweeglijk, hard en vlak. De trap of ladder mag, bijvoorbeeld door wegzakken, niet op de sporten of treden rusten.
  • De ladder en/of moet onderaan de stijlen voorzien zijn van een deugdelijk antislip profiel (dop).

Als een ladder als werkplaats wordt gebruikt, dan geldt aanvullend:

  • De hellingshoek van de ladder is tussen 65 en 75 graden.
  • De ladder is geborgd tegen onderuit schuiven en tegen zijdelings schuiven.
  • De ladder heeft een vaste opstelplaats.
  • Aanrijdgevaar is voorkomen.

Als een trap een platform heeft dat als hoogste standplaats kan dienen, dan moet dit platform voorzien zijn van een steunbeugel, waarvan de steunverlenende zijde niet buiten het platform mag steken en waarbij de verticale afstand (gemeten tussen platform en steunbeugel) ten minste 60 centimeter moet bedragen.

Valgevaar

Maatregelen die een invulling vormen van een arbovoorschrift worden ter toetsing voorgelegd aan de Nederlandse Arbeidsinspectie. In onderstaande tabel is aangeven welke maatregelen dit zijn en voor welk arbovoorschrift de maatregel een invulling is. Deze tabel wordt niet opgenomen in de Arbocatalogus.
De arbocatalogus is van toepassing op alle categorieën medewerkers, tenzij anders is aangegeven in de maatregel.

Wetgevingstabel

Artikel Arbobesluit Activiteit Oplossingen Arbocatalogus Niveau 
Deel A. Oplossingen voornamelijk gericht op het voorkomen van horizontaal valgevaar (vallen, uitglijden, struikelen)
Artikel 6.3 lid 1 Werken in/op gebouwen en bouwwerken O1 Zicht op locaties Collectief
Artikel 3.2 lid 1 Werkzaamheden in/op gebouwen en bouwwerken O2 Opgeruimde werkplek op locatie Collectief
Artikel 8.1 lid 2 Werken in/op gebouwen en bouwwerken O3 Veiligheidsschoeisel PBM
Deel B. Oplossingen voornamelijk gericht op het voorkomen van verticaal valgevaar
Artikel 3.2 lid 1

 
Werkzaamheden op platte daken O4 Veilige dakopgang Collectief/Individueel
Artikel 3.16 lid 1 Werkzaamheden op platte daken  O5 Afdoende afstand bewaren tot de dakrand, daglichtvoorzieningen en sparingen – Als de afstand minimaal TWEE meter tot de dakrand, daglichtvoorzieningen en sparingen is.  
Artikel 3.15 lid 1 Werkzaamheden op platte daken O6 Afdoende afstand bewaren tot de dakrand, daglichtvoorzieningen en sparingen – Als de afstand minimaal VIER meter tot de dakrand, daglichtvoorzieningen en sparingen is. Collectief
Artikel 3.16 lid 1 Werkzaamheden op platte daken O7 Individuele gebiedsbegrenzing Individueel/PBM
Arbowet artikel 8 lid 3 Werkzaamheden op platte daken O8 Individuele valbeveiliging Individueel
Artikel 3.2 lid 1 Werken in/op gebouwen en bouwwerken

O9 Niet aanvangen of staken van de werkzaamheden bij harde wind

 

Collectief
Artikel 3.17 en Arbowet artikel 10 Werkzaamheden op platte daken 010 Preventie van wegwaaien van materialen en materieel bij werkzaamheden op het dak Collectief
Artikel 3.2 lid 1 Werken in/op gebouwen en bouwwerken O11 Niet aanvangen of staken van de werkzaamheden bij regen, ijzel en sneeuw Collectief
       
Deel C. Oplossingen gericht op het gebruik van een ladder
Artikel 7.23a Tijdelijke werkzaamheden op hoogte O12 Ladders ter overbrugging van hoogteverschillen Collectief
Artikel 7.23a Werkzaamheden op locatie O13 Ladders als werkplek voor kortdurend werk Individueel
 
       

Valgevaar

CAO BIKUDAK

ARTIKEL 14  ARBEIDSOMSTANDIGHEDEN

4. De werkgever is verplicht de onderstaande persoonlijke beschermingsmiddelen en collectieve- en/of individuele valbeveiligingsmiddelen aan de bij hem in dienst zijnde werknemer ter beschikking te stellen:   

- gehoorbescherming (bijvoorbeeld otoplastieken); 
- adembescherming (bijvoorbeeld een gezichtsmasker of stofkap); 
- veiligheidsschoenen; 
- werkhandschoenen; 
- hekwerk; 
- harnas met toebehoren; 
- zonnebril met UV-bescherming; 
- (zonne)pet met nekflap ter bescherming tegen UV-straling; 
- UV-beschermende werkkleding; 
- zonnebrand.